Wat waren landweren nu precies?

Landweren waren laat-middeleeuwse verdedigingslinies. Doorgaans bestonden landweren uit een brede zware wal, aan elke zijde voorzien van een flankerende gracht, met op de wal een heg. Soms was de landweer meerwallig, bijvoorbeeld op de oostelijke grens van Twente met Bentheim. De heg bestond uit bomen waarvan de takken hetzij dicht door elkaar gevlochten waren hetzij nedergebogen en opnieuw in de grond gepoot. Ertussenin werd doornig struikgewas aangeplant, waardoor het geheel een bijna ondoordringbare hindernis vormde. De schaarse doorgangen in de landweer waren voorzien van een enkele of dubbele slagboom met een persoon erbij wonend die deze in de nacht en bij onraad afsloot; dikwijls de Bomer, of Sluiter genaamd. Bij de aanleg van landweren werd werd vaak gebruik gemaakt van al aanwezige natuurlijke barrières zoals veengebieden en waterlopen. Deze obstakels werden dan gebruikt om een landweer tussen te leggen en / of er achter, naargelang de lokale situatie.


Een reconstructieve dwarsdoorsnede van een tweewallige landweer, links in oorspronkelijke toestand en rechts zoals je hem nu aan zou treffen

De landweer zorgde ervoor dat een aanval berekenbaarder werd. Doorgaans zou de aanvaller namelijk de makkelijkste route kiezen om het beschermde gebied binnen te komen en zodoende bij een van de doorgangen proberen door te breken. Om de aanvaller het hoofd te bieden moesten snel troepen ter plaatse komen. Dit was alleen mogelijk als men de naderende vijand tijdig zag naderen en bericht hiervan door kon geven aan de dichtsbijzijnde nederzetting of stad. Mensen die naast de landweer woonden werden daarom waarschijnlijk verplicht bij onraad alarm te slaan. Ook werden er heuvels benut, of expres aangelegd, waarvandaan men de wacht kon houden. Hoge bomen werden hier ook voor gebruikt en men plaatste hier zogenaamde bakens op om het thuisfront te kunnen waarschuwen. Waar men geld had, veelal bij de steden dus, bouwde men soms ook houten wachtposten en af en toe zelfs stenen wachttorens, zogenaamde bergvredes. Deze waren ook uitgerust met een signaalsysteem waarmee de wachter kon communiceren met de wachtpost in de meest nabijgelegen kerktoren. Bij klokkeslag moesten de weerbare mannen zich dan verzamelen met hun wapenrusting en er gelijk op uit trekken om de vijand te kunnen weren. Indien de vijand de landweer nog niet bereikt had, kon men hem opwachten daar waar hij doorbreken wilde. Indien de vijand al door de landweer gebroken was kon men zich positioneren bij het gat of de doorgang waar hij door terug moest komen, zwaar beladen met buit. Het najagen van de vijand en het weer afnemen van die buit was zelfs een verplichting in sommige gebieden.
Het recht op landweeraanleg lag bij de landsheer, maar steden konden dit privilege ook verkrijgen van hem. Degenen die het graafwerk deden waren de inwoners van het gebied waar de landweer werd aangelegd. Dit was een landsheerlijke verplichting, een waar men meestal niet al te blij mee was. De wachters en kasteleinen langs de landweer moesten toezien dat de landweer niet beschadigd werd. Ook werden er hiertoe wetten uitgevaardigd, waar hoge boetes in waren opgenomen of zelfs lijfstraffen zoals bijvoorbeeld het breken van een hand.
Als een landweer er eenmaal lag werd hij soms ook gebruikt als tollinie, grensscheiding, waterkering of veekering. Daarbij zal hij een afschrikwekkende functie hebben gehad voor vijanden en daarmee ook een positieve invloed op de sfeer en daarmee welvaart binnen het beschermde gebied. Het aanleggen en onderhouden van dergelijke kilometers lange en ettelijke meters brede landweren was niet niks, per slot van rekening moest alles met de schop en de kruiwagen gebeuren. Hiermee zullen landweren dus ook een symbolische functie hebben gehad, o.a. voor hetgeen het gebied in kwestie aan mankracht kon leveren om zulke grote defensieve werken te realiseren.